Leesvaardigheid is een belangrijk onderdeel, al was het alleen maar omdat het voor de helft je examencijfer bepaalt. Oefen regelmatig en serieus (kijk thuis nog eens welke fouten je gemaakt had in besproken teksten). Door in de tekst te onderstrepen waar je denkt het antwoord te kunnen vinden dwing je jezelf goed te lezen.

Hieronder staan een aantal oefensites. Oefenen met je examenbundel is natuurlijk ook prima!


Ludgerleerlingen hebben via school een licentie om
online examenteksten te oefenen , zowel op school als thuis:
Ga naar: http://www.escapeweb.nl  Heel veel examens en je krijgt uitleg bij foutieve antwoorden!

Loginnaam (LD****) en wachtwoord zijn hetzelfde als voor het inloggen op de schoolcomputers.

Nog een 2 plekken waar je online examens kunt maken (wel eerst even inloggen: zo gepiept):
Studyflow (alleen laatste jaren; geen uitleg, geeft aan in welk type vragen je goed/slecht bent) en Examens-Oefenen

En nog een:
Examensite.nl (alleen de laatste jaren) (vmbo havo vwo) (kijk ook eens onder 'Examenstof' voor tips)

Examenteksten in pdf:
  Engelse Oefenexamens Mavo/Havo Vwo   


Veel nuttige
examentips/info zijn/is te vinden op  examenblad.nl

 

 

ga naar:

                Aanpakstrategie bij Examenteksten  

                Stappenplan voor het maken/oefenen van meerkeuze- en open vragen

                Stappenplan voor scanning (langere teksten met slechts enkele zoekvragen)

                Nog wat tips/suggesties voor het oefenen met teksten

                Het Examen

                Examen jargon kun je downloaden via Itslearning (woorden die je perfect moet kennen; ook via wrts)

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

                Test je woordenschat eens. Een grote woordenschat is een vereiste wil je een tekst begrijpen. :
                      (Deze tests zijn bedoeld voor 'native' speakers dus behoorlijk pittig)
 
               Test 1:
een uitgebreide test (50 vragen) aan het eind wordt de grootte van je woordenschat gemeld (geeft altijd een lage schatting)*
 
               Test 2 : werkt alleen als je eerlijk bent (je moet aangeven of je een woord kent); geeft aan hoeveel woorden jij kent (geeft een hoge schatting)*
                Test 3: een wat kortere test (20 vragen) geeft alleen een grove indicate van de grootte van je woordenschat
                         Iemand die net zijn High-school diploma heeft opgehaald heeft een score van
±12.000 woorden
                         Shakespeare heeft in al zijn werken ±15.000 verschillende woorden gebruikt.
                         De bijbel komt niet verder dan ±5.000.
                         Van Winston Churchill was bekend dat hij een enorme woordenschat had: ±60.000 woorden.
                         Een kleine 10.000 woorden heb je wel nodig om een Havo/Vwo examentekst voldoende te begrijpen

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aanpakstrategie bij Examenteksten  

Een schrijver heeft altijd een bedoeling gehad met het schrijven van een tekst; het is niet zomaar een verzameling losse gedachten. Er zit samenhang tussen de verschillende alinea's. Ben je eenmaal achter de 'rode draad' van de tekst, dan zul je zien dat het beantwoorden van de meerkeuzevragen een stuk eenvoudiger gaat.

Sommige leerlingen lezen een tekst en weten 'automatisch' wat belangrijk is, anderen hebben er meer moeite mee. Bedenk echter dat het te leren valt; denk dus niet: "Ik ben nou eenmaal slecht in teksten en daar verander ik niks aan."

Tijdens je examen mag je een woordenboek gebruiken. Wees echter terughoudend met het opzoeken van woorden omdat het (te) veel tijd kan kosten. Zoek alleen die woorden op die belangrijk zijn voor het volgen van de hoofdlijn van de tekst.

 

 

terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Stappenplan voor het maken/oefenen van meerkeuze- en open vragen

1 Deel je tijd goed in voordat je met het examen begint, zodat je niet in tijdnood komt. Er zijn teksten met vragen die je heel nauwkeurig moet bekijken; andere teksten moet je alleen snel ‘scannen', d.w.z. vluchtig doorkijken om er wat informatie uit te halen.
2 Lees de ‘ùit-stekende delen' van de tekst, zoals de titel, een inleiding, de naam van de schrijver, een bronvermelding, dik- of schuingedrukte tekst enz. Kijk evt. eerst even naar het begin van elke alinea (daar staat vaak het belangrijkste, verderop wordt het uitgewerkt)
3 Probeer nu al te bedenken waar de tekst over gaat en ga na wat je al over het onderwerp weet, bijvoorbeeld van de televisie, de radio en uit de krant. Door zo je bestaande kennis te gebruiken stel je je optimaal op de tekst in, waardoor je die beter begrijpt.
4 Lees eerst de hele tekst grondig door. Onderstreep bij het lezen de woorden of woordgroepen die je belangrijk lijken. Op deze manier lees je geconcentreerder.
5 Raak niet in paniek als je een woord niet kent. Hetzelfde begrip kan verderop in de alinea of tekst eventueel met andere woorden opnieuw worden gebruikt en is dan soms beter te begrijpen. De hoofdzaak van de tekst is je toch wel duidelijk. (zie ook punt 8)
6 Let op de functie van scharnierwoorden, zoals but, although, because, enz. Dergelijke woorden duiden op een tegenstelling, een oorzaak, een reden, enz.
7 Let extra op de eerste en laatste zin van de alinea's: deze bevatten de belangrijkste informatie.
8 Neem nu de examenvragen erbij en kijk terug naar de betreffende alinea.
Probeer de betekenis van een onbekend woord af te leiden uit de context.
Ook is de
betekenis vaak te raden. De volgende stappen kunnen je daarbij helpen:
  a Welke woordsoort is het? (een zelfstandig naamwoord, een werkwoord, enz.)
  b Heeft het woord bekende voor- of achtervoegsels? (Zoals ‘un-‘, ‘il-‘, ‘ir-‘, ‘dis-‘, ‘im-‘ die ‘niet' betekenen, in ‘unreasonable', ‘illegitimate', ‘disfunction', irresponsible, etc.)
  c Lijkt het woord op een woord dat je kent uit een andere taal? (Zo lijkt bijvoorbeeld ‘language' op het Franse ‘langue'; ‘to negate' lijkt op ‘negatief' en betekent ‘ontkennen/tegenspreken')
  d Staan er eerder of verderop in de tekst misschien aanwijzingen die je kunnen helpen de betekenis van het woord te raden?
9 Bedenk bij het beantwoorden van sommige vragen dat de laatste zinnen van de voorafgaande alinea of de eerste zinnen van de volgende alinea een aanwijzing kunnen bevatten.
10 Ga bij het beantwoorden van de meerkeuzevragen bij elke vraag na in welk gedeelte van de tekst het antwoord te vinden is en onderstreep dit gedeelte of noteer de regelnummers.
11 Probeer eerst zelf het antwoord op een meerkeuzevraag te formuleren, voordat je naar de alternatieven kijkt.
12 Kijk daarna naar de gegeven antwoorden en kies het alternatief dat het meest overeenkomt met je eigen antwoord. Als meerdere antwoorden goed lijken, streep dan de overige weg (daar kijk je niet meer naar). Maak vervolgens, goed kijkend naar de tekst een ‘clever guess'
Schrik niet als je een aantal meerkeuzevragen achter elkaar met dezelfde letter hebt beantwoord. Dit kan gebeuren omdat de volgorde van de antwoorden willekeurig (alfabetisch) is.
13 Beantwoord een open vraag kort en bondig in het Nederlands. Lees de vraag en je antwoord daarna nog eens door om te controleren of je inderdaad antwoord op de vraag hebt gegeven.
Beperk je antwoord tot datgene wat wordt gevraagd. Worden er bijvoorbeeld twee redenen gevraagd, en je geeft er meer, dan worden alleen de eerste twee beoordeeld. Hetzelfde geldt wanneer er bijvoorbeeld één zin wordt gevraagd. Geef je meer dan één zin, dan wordt alleen de eerste in de beoordeling betrokken.
14 Als je na afloop genoeg tijd over hebt, lees dan de vragen en de door jou gegeven antwoorden nog eens door. Sla deze stap eventueel over als je weet dat je snel twijfelt aan de juistheid van je antwoorden.

 

 

terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Stappenplan voor scanning (dus bij langere teksten met slechts enkele zoekvragen)

De leesstrategie scanning gebruik je als je in korte tijd specifieke informatie uit een tekst moet halen: lees dus niet de hele tekst grondig door! Deze teksten staan aan het eind van het examen. Kijk, voor je aan het examen begint, waar deze teksten precies beginnen en bewaar ze voor het laatst. Globaal zijn hierbij vaak twee tekstsoorten te onderscheiden:

Gewone teksten

1 Lees de zoekopdracht zoals gegeven in het ‘vragenboekje' goed door.
2 Lees de titel, de bronvermelding en de eerste en laatste zin van elke alinea door.
3 Probeer voor jezelf te formuleren wat het onderwerp van de tekst is.
4 Zoek nu naar de gevraagde informatie.
5 Controleer of je gevonden antwoord de gestelde vraag beantwoordt.

Inhoudsopgave of index

1 Lees de zoekopdracht zoals gegeven in het vragenboekje goed door.
2 Probeer systematisch de relevante informatie te vinden. Let op:
Het kan voorkomen dat gevraagd wordt te kijken of een bepaalde informatie in de tekst staat en zo ja wat dan: er hoeft dus niets dat van belang is in te staan, zoek in zo'n geval niet te lang maar kom desnoods later op een dergelijke vraag terug.
3 Controleer of je gevonden antwoord de gestelde vraag beantwoordt

 

 

terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het Examen

De tijd tijdens het examen is beperkt; wat op deze pagina staat is bedoeld voor het trainen van teksten. Probeer erachter te komen welke manier van werken het beste bij jou past.

 

  Op het examen moet je altijd...

 

1.... een inschatting maken van de benodigde tijd
2.... je afvragen met wat voor tekst/vragen je te maken hebt:
sommige teksten hoef je alleen maar te scannen
3.... beperkt gebruik maken van je woordenboek: gebruik je woordenboek vooral bij de vragen, minder bij de teksten zelf
(vergeet niet je woordenboek mee te brengen!)
4.... uitstekende delen' (titel, sub-titel, bron, voetnoten, vetgedrukte tekst) goed bekijken,     
daarna:
5.... bedenken -meteen na punt 4- over welk onderwerp het gaat en wat je daar al van weet
6.... extra aandacht schenken aan de eerste en laatste alinea en de eerste regels van elke alinea
7.... eerst zelf een antwoord formuleren en daarna naar de alternatieven kijken
    (streep weg wat sowieso fout lijkt)

 

 

terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nog wat tips/suggesties voor het oefenen met teksten:

De eerste en laatste alinea zijn vaak erg belangrijk (de inleiding en de conclusie), lees die nadat je de ‘uitstekende' delen hebt gelezen; maak een korte samenvatting van de tekst (in je hoofd of op papier)
Maak voor elke alinea tussenkopjes
Maak een heel korte samenvatting van elke alinea
Lees de lastige alinea's een keer extra door
Onderstreep in de tekst de woorden waaruit je denkt het antwoord te kunnen halen
Een computerprogramma (Escapeweb / Examensite.nl etc. zie bovenaan) kan goede diensten bewijzen (je krijgt meteen het juiste antwoord met uitleg
maak liever 1 tekst goed (‘duik erin' steek er voldoende tijd in) dan 2 afgeraffeld
hieronder staat een aantal woorden dat vaak gebruikt wordt in de vragen en antwoorden van m.c.-teksten: stampen!!!
Als de tekst op school gecorrigeerd is, [vraag de leraar op school waar in de tekst het juiste antwoord te vinden is; noteer de bewuste regels]; neem dan thuis de 'foute' vragen opnieuw door.

 

 

 

terug